Zoals ik net op twitter schreef: "Het kan verkeren, ineens buitelen partijen over elkaar heen voor slachtofferrechten. Mooi, maar pas op voor scheppen irreele verwachtingen."En "Als er iets fnuikend is voor slachtoffers: verwachtingen wekken die niet waargemaakt worden. #secundairevictimisatie" Met daarbij een link naar een onderzoek dat ik twee jaar geleden samen met Marjan Wijers heb gedaan naar secundaire victimisatie in het strafproces (het verergeren van het slachtofferschap door het strafproces). Omdat het wel relevant is voor de huidge discussie, hierbij de slotconclusie van dat onderzoek:
De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat secundaire victimisatie van slachtoffergetuigen door het strafproces met enige regelmaat voorkomt. Daarbij lijkt het vooral te gaan om negatieve effecten op het vertrouwen van het slachtoffer in zichzelf, de toekomst, de wereld en het rechtssysteem, en in mindere mate om re-traumatisering, dat wil zeggen verergering van de post traumatische stressreacties als gevolg van het oorspronkelijk misdrijf bij slachtoffers die aan PTSS lijden. Slachtofferondersteuners noemen daarnaast secundaire victimisatie in de vorm van belemmering van herstel; dit komt ook in de interviews met slachtoffers naar voren. Extra schade door een nieuw, tweede trauma veroorzaakt door het strafproces wordt slechts bij uitzondering genoemd.
Secundaire victimisatie speelt niet alleen bij het verhoor van het slachtoffer als getuige door de RC of op de zitting. Ook de onevenwichtigheid tussen de positie van de verdachte en die van het slachtoffer, de lange duur van het strafproces, gebrek aan informatie, bejegeningsfactoren en onvrede met de uitkomst spelen een rol.
Centrale begrippen bij het voorkomen van secundaire victimisatie lijken voorspelbaarheid, controle/beheersbaarheid, veiligheid en rechtvaardigheid te zijn. Hoe hoger het strafproces hierop ‘scoort’, hoe kleiner de kans op secundaire victimisatie. Of het slachtoffer daadwerkelijk extra schade of leed ondervindt door het strafproces hangt echter niet alleen af van factoren binnen het strafproces, maar ook van de ernst en aard van het misdrijf, persoonlijke kenmerken van het slachtoffer en de sociale context. Ook deze factoren 'scoren' op de dimensies veilig of onveilig, voorspelbaar of onvoorspelbaar, et cetera. Bij persoonlijke kenmerken gaat het dan vooral om kenmerken die de behoefte aan voorspelbaarheid, veiligheid etc. groter kunnen maken, zoals eerdere traumatische ervaringen of een verstandelijke beperking. Voor het strafproces is dit relevant, omdat het betekent dat sommige slachtoffers (gezien de aard van het delict, hun persoonlijke eigenschappen of omgevingsfactoren) extra kwetsbaar of vatbaar zijn voor secundaire victimisatie.
Vanuit het oogpunt van voorspelbaarheid vormen vooral de informatieverschaffing aan slachtoffers, de gang van zaken rondom het verhoor bij de RC of op de zitting en de lange duur van het strafproces knelpunten. Gebrek aan controle speelt vooral ten aanzien van beslissingen met betrekking tot vervolging, voorlopige hechtenis en de wijze van afdoening. De wensen en belangen van het slachtoffer spelen hierin slechts zeer beperkt een rol. Een duidelijk knelpunt vormt het verkrijgen van een afschrift van/inzage in de eigen aangifte en het strafdossier, al dan niet via de slachtofferadvocaat. Knelpunten met betrekking tot veiligheid zijn de keuze voor de plaats waar de aangifte wordt opgenomen, de geheimhouding van adres- en persoonlijke gegevens, het opvragen van informatie bij derden, met name het feit dat het slachtoffer zich er van bewust moet zijn dat alle informatie in het dossier wordt opgenomen en dus kenbaar is voor de verdachte, en het verhoor bij de RC of ter zitting, en dan vooral de behandeling door de advocaat van de verdachte. Ook is onduidelijk bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor de voorbereiding van het slachtoffer op het verhoor en willen er nog wel eens dingen fout lopen rondom de zitting, zoals slachtoffers en verdachten die bij elkaar in de wachtkamer of naast elkaar in de zittingszaal worden geplaatst. Waar het gaat om rechtvaardigheid ervaren slachtoffers vooral de onevenwichtigheid in de positie van verdachte en slachtoffer als onrechtvaardig: naar hun gevoel heeft de verdachte alle rechten en zij niets. Hieronder valt ook het gegeven dat de verdachte toegang heeft tot het gehele strafdossier met alle informatie over het slachtoffer, terwijl het slachtoffer vaak niet eens de eigen aangifte krijgt. Andere punten vanuit het perspectief van rechtvaardigheid zijn een goede motivering van het vonnis, hetgeen nu vaak ontbreekt – als slachtoffers het vonnis al krijgen -, en de uitkomst van de strafzaak. Met betrekking tot dit laatste valt op dat alle geïnterviewde slachtoffers het voorkomen van herhaling als belangrijk element noemen.
Over de positie van het slachtoffer in het strafproces denken vooral officieren van justitie, RC’s en rechters zeer verschillend, variërend van ‘het is goed zo en moet zo blijven’ tot ‘het moet anders’. Men lijkt zich nauwelijks bewust te zijn van de implicaties van de nieuwe Wet versterking positie slachtoffers. Dit geldt vooral waar het gaat om de invoering van een met de ‘onschuldpresumptie’ voor de daders vergelijkbare presumptie voor slachtoffers: een slachtoffer moet als slachtoffer worden beschouwd totdat het tegendeel komt vast te staan. Ook de opvattingen over de eigen taak met betrekking tot de bescherming van de belangen van het slachtoffer lopen zeer uiteen. Een gedeelde visie hierop lijkt vooral bij de rechtelijke macht te ontbreken. Over het algemeen zijn de verschillende respondenten wel bereid om de belangen van het slachtoffer mee te wegen. Dit gaat echter niet vanzelf. De indruk bestaat dat niet alle respondenten zich bij hun beslissingen steeds bewust zijn van slachtofferbelangen. Vrijwel nooit nemen respondenten het initiatief om het slachtoffer zelf in de belangenafweging te betrekken. Slachtofferbelangen worden vooral meegenomen zolang zij niet te veel kosten en niet strijdig zijn met de belangen van de verdachte of van het strafproces.
Tenslotte valt op dat nauwelijks (empirisch) onderzoek is gedaan naar secundaire victimisatie van slachtoffers als gevolg van het strafproces. Voor eventueel vervolgonderzoek is van belang dat dit zich niet alleen zou moeten richten op slachtoffers van juridisch ernstige delicten en dat bijzondere aandacht wordt besteed aan groepen die extra kwetsbaar zijn voor secundaire victimisatie. Hierbij gaat het niet alleen om kinderen en mensen met een verstandelijke beperking, maar ook om groepen die om andere redenen extra kwetsbaar zijn voor secundaire victimisatie.
Het hele onderzoek vind je hier
Posts tonen met het label strafrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label strafrecht. Alle posts tonen
donderdag 22 maart 2012
zondag 26 februari 2012
Verbeter de positie van slachtoffers, maar doe het goed!
Wij zijn verheugd dat de positie van slachtoffers in het strafproces de afgelopen dagen zoveel belangstelling kreeg, onder meer in de verschillende dagbladen.
Verschillende voorstellen om de positie van slachtoffers in het strafproces te verbeteren zijn gelanceerd. Dat is toe te juichen. Maar zijn al deze voorstellen echt in het belang van slachtoffers? Dat is volgens de werkgroep seksueel geweld van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann, die zich ten doel stelt het belang van slachtoffers van zedendelicten te behartigen, niet bij alle voorstellen het geval, zeker niet waar het gaat om een kwetsbare groep als de zedenslachtoffers.
De Raad voor de Rechtspraak lanceerde drie concrete voorstellen: een eigen plek voor slachtoffers en hun advocaat in de rechtszaal, een opsplitsing van het strafproces in twee delen en de mogelijkheid om de vordering tot schadevergoeding op een simpele manier door te geleiden naar de civiele rechter.
Over de vaste plek voor het slachtoffer in de rechtszaal niets dan goeds mits de wens van het slachtoffer om anoniem in het publiek te zitten altijd wordt gerespecteerd. De opdeling van het strafproces en het doorverwijzen van de vordering hebben echter vanuit slachtofferperspectief niet alleen voordelen.
Voorgesteld wordt het strafproces in twee delen te splitsen: een deel voor de waarheidsvinding waar het slachtoffer als getuige aanwezig is en een deel waar de straftoemeting en de vordering tot schadevergoeding centraal staat, waar het slachtoffer als benadeelde partij deelneemt aan het proces. Het gevaar bestaat dat het slachtoffer in het tweede deel weliswaar een sterkere positie krijgt, maar dat moet bekopen met een verzwakte positie in het eerste deel, waar het gaat om de bewezenverklaring. De rol van het slachtoffer is daarbij vooral die van getuige, die dienstbaar is aan de waarheidsvinding. Een positie waarin met name slachtoffers van zedendelicten bijzonder kwetsbaar zijn. Bij een opdeling van het proces zal deze eerste fase voor slachtoffers bijzonder frustrerend zijn: tijdens het verhoor wordt flink doorgevraagd waardoor zij het gevoel hebben niet geloofd te worden en zij mogen niet reageren op wat de verdachte zegt. Dat kan tijdens de zitting ook niet meer worden gecompenseerd door het uitspreken van de slachtofferverklaring, die is immers voor de tweede fase.
Bovendien zal opdeling van het strafproces naar verwachting betekenen dat het slachtoffer op twee momenten moet verschijnen op de zitting waardoor de afhandeling van de strafzaak in tijd aanmerkelijk langer gaat duren, hetgeen nadelig is voor het slachtoffer. En dan hebben we het nog niet over juridische complicaties, want kan een verdachte voor de strafmaatbepaling in het tweede deel al in hoger beroep tegen de bewezenverklaring van het eerste deel?
Het voorstel van de Raad voor de Rechtspraak voor een klapluikconstructie, waarbij vorderingen van slachtoffers die te ingewikkeld zijn voor het strafproces direct kunnen worden doorverwezen naar een kosteloze procedure bij de civiele rechter, klinkt sympathiek, maar heeft de nodige haken en ogen. Het gevaar is levensgroot dat strafrechters in grote mate gebruik gaan maken van dit klapluik, en vorderingen die niet heel simpel zijn zullen gaan doorverwijzen. Vorderingen in zedenzaken worden vaak als gecompliceerd gezien, en lopen daarom het risico doorgeschoven te worden. Het gevolg zal zijn dat slachtoffers langer op een uitspraak over de schadevergoeding moeten wachten. Bovendien kan de schadevergoeding niet meer gekoppeld worden aan de strafrechtelijke schadevergoedingsmaatregel, (in dat geval int de Staat de schadevergoeding) waardoor slachtoffers weer zelf verantwoordelijk zijn voor het innen van het toegewezen bedrag. Ook lopen slachtoffers dan de de fantastische nieuwe regeling mis waarbij de Staat de schadevergoeding voorschiet aan het slachtoffer en verhaalt bij de dader, waardoor het slachtoffer snel de schadevergoeding uitbetaald krijgt. .
Wij vinden het positief dat er concrete plannen worden ontwikkeld voor de verbetering van de positie van slachtoffers. Het is echter van groot belang deze plannen goed te doordenken op hun consequenties voor ook de meest kwetsbare groep slachtoffers.
En laten we wel wezen: er kan al heel veel verbeteren zonder nieuwe regelgeving. Zo zouden binnen het huidige slachtofferbeleid alle officieren van justitie bij belangrijke stappen in het strafproces (zoals het formuleren van de eis) al aan het slachtoffer kunnen vragen: wat zou u willen dat er gebeurt? Niet om de wens van het slachtoffer klakkeloos te volgen, maar wel om deze in zijn of haar afweging mee te nemen. Simpel, en zeer doeltreffend. Morgen beginnen?
Namens de werkgroep seksueel geweld van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann,
Margreet de Boer en Katinka Lünnemann
Bovenstaand opiniestuk is ook geplaatst op Joop.nl en op de website van de Vereniging voor Vrouw en Recht
Verschillende voorstellen om de positie van slachtoffers in het strafproces te verbeteren zijn gelanceerd. Dat is toe te juichen. Maar zijn al deze voorstellen echt in het belang van slachtoffers? Dat is volgens de werkgroep seksueel geweld van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann, die zich ten doel stelt het belang van slachtoffers van zedendelicten te behartigen, niet bij alle voorstellen het geval, zeker niet waar het gaat om een kwetsbare groep als de zedenslachtoffers.
De Raad voor de Rechtspraak lanceerde drie concrete voorstellen: een eigen plek voor slachtoffers en hun advocaat in de rechtszaal, een opsplitsing van het strafproces in twee delen en de mogelijkheid om de vordering tot schadevergoeding op een simpele manier door te geleiden naar de civiele rechter.
Over de vaste plek voor het slachtoffer in de rechtszaal niets dan goeds mits de wens van het slachtoffer om anoniem in het publiek te zitten altijd wordt gerespecteerd. De opdeling van het strafproces en het doorverwijzen van de vordering hebben echter vanuit slachtofferperspectief niet alleen voordelen.
Voorgesteld wordt het strafproces in twee delen te splitsen: een deel voor de waarheidsvinding waar het slachtoffer als getuige aanwezig is en een deel waar de straftoemeting en de vordering tot schadevergoeding centraal staat, waar het slachtoffer als benadeelde partij deelneemt aan het proces. Het gevaar bestaat dat het slachtoffer in het tweede deel weliswaar een sterkere positie krijgt, maar dat moet bekopen met een verzwakte positie in het eerste deel, waar het gaat om de bewezenverklaring. De rol van het slachtoffer is daarbij vooral die van getuige, die dienstbaar is aan de waarheidsvinding. Een positie waarin met name slachtoffers van zedendelicten bijzonder kwetsbaar zijn. Bij een opdeling van het proces zal deze eerste fase voor slachtoffers bijzonder frustrerend zijn: tijdens het verhoor wordt flink doorgevraagd waardoor zij het gevoel hebben niet geloofd te worden en zij mogen niet reageren op wat de verdachte zegt. Dat kan tijdens de zitting ook niet meer worden gecompenseerd door het uitspreken van de slachtofferverklaring, die is immers voor de tweede fase.
Bovendien zal opdeling van het strafproces naar verwachting betekenen dat het slachtoffer op twee momenten moet verschijnen op de zitting waardoor de afhandeling van de strafzaak in tijd aanmerkelijk langer gaat duren, hetgeen nadelig is voor het slachtoffer. En dan hebben we het nog niet over juridische complicaties, want kan een verdachte voor de strafmaatbepaling in het tweede deel al in hoger beroep tegen de bewezenverklaring van het eerste deel?
Het voorstel van de Raad voor de Rechtspraak voor een klapluikconstructie, waarbij vorderingen van slachtoffers die te ingewikkeld zijn voor het strafproces direct kunnen worden doorverwezen naar een kosteloze procedure bij de civiele rechter, klinkt sympathiek, maar heeft de nodige haken en ogen. Het gevaar is levensgroot dat strafrechters in grote mate gebruik gaan maken van dit klapluik, en vorderingen die niet heel simpel zijn zullen gaan doorverwijzen. Vorderingen in zedenzaken worden vaak als gecompliceerd gezien, en lopen daarom het risico doorgeschoven te worden. Het gevolg zal zijn dat slachtoffers langer op een uitspraak over de schadevergoeding moeten wachten. Bovendien kan de schadevergoeding niet meer gekoppeld worden aan de strafrechtelijke schadevergoedingsmaatregel, (in dat geval int de Staat de schadevergoeding) waardoor slachtoffers weer zelf verantwoordelijk zijn voor het innen van het toegewezen bedrag. Ook lopen slachtoffers dan de de fantastische nieuwe regeling mis waarbij de Staat de schadevergoeding voorschiet aan het slachtoffer en verhaalt bij de dader, waardoor het slachtoffer snel de schadevergoeding uitbetaald krijgt. .
Wij vinden het positief dat er concrete plannen worden ontwikkeld voor de verbetering van de positie van slachtoffers. Het is echter van groot belang deze plannen goed te doordenken op hun consequenties voor ook de meest kwetsbare groep slachtoffers.
En laten we wel wezen: er kan al heel veel verbeteren zonder nieuwe regelgeving. Zo zouden binnen het huidige slachtofferbeleid alle officieren van justitie bij belangrijke stappen in het strafproces (zoals het formuleren van de eis) al aan het slachtoffer kunnen vragen: wat zou u willen dat er gebeurt? Niet om de wens van het slachtoffer klakkeloos te volgen, maar wel om deze in zijn of haar afweging mee te nemen. Simpel, en zeer doeltreffend. Morgen beginnen?
Namens de werkgroep seksueel geweld van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann,
Margreet de Boer en Katinka Lünnemann
Bovenstaand opiniestuk is ook geplaatst op Joop.nl en op de website van de Vereniging voor Vrouw en Recht
vrijdag 9 september 2011
Teeven werkt voor de samenleving
Naar aanleiding van de kop "Teeven wil 'Werkt voor de samenleving'op hesje taakstraf" ontspon zich gisteravond bij ons aan de keukentafel de volgende discussie: 'Waarom laten we ze niet meteen met een bal aan hun been langs de snelweg werken?' 'Of een brandmerk op hun voorhoofd.' 'Misschien zou Teeven zelf ook zo'n hesje aan kunnen trekken.' 'En alle ambtenaren.' 'Als Teeven zelf zo'n hesje aantrekt, vind ik het wel goed.''Maar dan zou er niet op moeten staan 'werkt voor de samenleving', maar 'zou voor de samenleving moeten werken'.' Kortom, borrelpraat. Of in dit geval avondeten-praat.
Nu is het heel gemakkelijk om ook het voorstel van Teeven af te doen als borrelpraat. En een echt big issue is het misschien niet. Maar volgens de Volkskrant heeft Teeven het voorstel wel degelijk serieus naar de Tweede Kamer gestuurd. En ik vind dat zorgwekkend. Want aan welk strafdoel moet het bijdragen? In Nederland kennen we een aantal strafdoelen (vergelding, generale preventie en speciale preventie); openbare vernedering hoort daar gelukkig niet bij.
Maar misschien is het niet bedoeld als stigma of vernedering? Maar juist als positief signaal om deze mensen te laten inzien dat het fijn is om iets bij te dragen aan de samenleving in plaats van om criminele dingen te doen (speciale preventie). Misschien willen we dat ze trots zijn op het dragen van hun hesje? Dat kan natuurlijk alleen maar gaan werken als het dragen van zo'n hesje in de beeldvorming wordt geassocieerd met het werken voor de samenleving, en niet met het uitvoeren van een taakstraf. En dat kan alleen wanneer niet alleen degenen die een taakstraf uitvoeren zo'n hesje dragen, maar iedereen die - met trots- voor de samenleving werkt. Inclusief Teeven. Waarmee onze keukentafelpraat zo gek nog niet was: Alleen als Teeven ook in een hesje met 'Werkt voor de samenleving' gaat lopen, kunnen we dat van onze taakgestraften verlangen.
Nu is het heel gemakkelijk om ook het voorstel van Teeven af te doen als borrelpraat. En een echt big issue is het misschien niet. Maar volgens de Volkskrant heeft Teeven het voorstel wel degelijk serieus naar de Tweede Kamer gestuurd. En ik vind dat zorgwekkend. Want aan welk strafdoel moet het bijdragen? In Nederland kennen we een aantal strafdoelen (vergelding, generale preventie en speciale preventie); openbare vernedering hoort daar gelukkig niet bij.
Maar misschien is het niet bedoeld als stigma of vernedering? Maar juist als positief signaal om deze mensen te laten inzien dat het fijn is om iets bij te dragen aan de samenleving in plaats van om criminele dingen te doen (speciale preventie). Misschien willen we dat ze trots zijn op het dragen van hun hesje? Dat kan natuurlijk alleen maar gaan werken als het dragen van zo'n hesje in de beeldvorming wordt geassocieerd met het werken voor de samenleving, en niet met het uitvoeren van een taakstraf. En dat kan alleen wanneer niet alleen degenen die een taakstraf uitvoeren zo'n hesje dragen, maar iedereen die - met trots- voor de samenleving werkt. Inclusief Teeven. Waarmee onze keukentafelpraat zo gek nog niet was: Alleen als Teeven ook in een hesje met 'Werkt voor de samenleving' gaat lopen, kunnen we dat van onze taakgestraften verlangen.
woensdag 13 januari 2010
klagende slachtoffers
Ik las zojuist in een bericht op www.huiselijkgeweld.nl dat er door slachtoffers meer klachten over het niet-vervolgen van strafbare feiten (de artikel 12 procedure) worden ingediend dan vroeger. Volgens de minister is een van de oorzaken hiervoor het toegenomen aantal klachten over sepots in huiselijk geweld zaken. "Mogelijk kan daarbij voorts een rol spelen dat de intensivering van het beleid gericht op de aanpak van huiselijk geweld en geweld in het algemeen, verwachtingen wekt, waardoor in geval besloten wordt een zaak te seponeren, dit voor slachtoffers extra teleurstelling oplevert.". Een open deur lijkt mij.
De oplossing wordt gezocht in het beter informeren van slachtoffers door het OM over de reden en achtergronden van een sepot. Dat is inderdaad belangrijk, en zal ongetwijfeld bijdragen aan een afname van het aantal klachten. Maar natuurlijk is het zeker zo belangrijk om gewoon meer te gaan vervolgen, in ieder geval wanneer een zaak bewijsbaar is en het slachtoffer vervolging wil. (Volgens de geldende richtlijnen zou er ook tegen de wens van slachtoffers in vervolgd moeten, worden. persoonlijk ben ik darvan niet zo'n voorstander, maar daarover wellicht op een ander moment meer).
Gelukkig gaat de minister (nog) niet mee met de suggesties van Teeven (VVD) en van Haersma Buma (CDA) om de beklagprocedure aan te passen omdat slachtoffers zoveel klagen. Vooral Teeven valt hiermee wat mij betreft door de mand. Hield hij vorige week bij P&W nog een tirade dat iemand die vraagtekens zet bij de most-wanted-lijst slachtoffers in de kou laat staan, wil hij zelf slachtoffer hun rechten inperken ontnemen omdat ze daar gebruik van blijken te maken.
dit alles levert wel weer actuele gespreksstof op voor tijdens de training Juridische aspecten van huiselijk geweld die ik morgen weer in Rotterdam ga geven.
De oplossing wordt gezocht in het beter informeren van slachtoffers door het OM over de reden en achtergronden van een sepot. Dat is inderdaad belangrijk, en zal ongetwijfeld bijdragen aan een afname van het aantal klachten. Maar natuurlijk is het zeker zo belangrijk om gewoon meer te gaan vervolgen, in ieder geval wanneer een zaak bewijsbaar is en het slachtoffer vervolging wil. (Volgens de geldende richtlijnen zou er ook tegen de wens van slachtoffers in vervolgd moeten, worden. persoonlijk ben ik darvan niet zo'n voorstander, maar daarover wellicht op een ander moment meer).
Gelukkig gaat de minister (nog) niet mee met de suggesties van Teeven (VVD) en van Haersma Buma (CDA) om de beklagprocedure aan te passen omdat slachtoffers zoveel klagen. Vooral Teeven valt hiermee wat mij betreft door de mand. Hield hij vorige week bij P&W nog een tirade dat iemand die vraagtekens zet bij de most-wanted-lijst slachtoffers in de kou laat staan, wil hij zelf slachtoffer hun rechten inperken ontnemen omdat ze daar gebruik van blijken te maken.
dit alles levert wel weer actuele gespreksstof op voor tijdens de training Juridische aspecten van huiselijk geweld die ik morgen weer in Rotterdam ga geven.
Abonneren op:
Posts (Atom)
