Posts tonen met het label slachtoffers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label slachtoffers. Alle posts tonen

dinsdag 1 mei 2012

Misbruik in de jeugdzorg: niets nieuws, maar.....


Na het misbruik binnen de katholieke kerk nu in de Volkskrant volop aandacht voor seksueel misbruik van kinderen binnen de jeugdzorg. Met schokkende cijfers (van de jongeren zelf rapporteert bijna 20% misbruik), en een schokkend verhaal.
De cijfers zijn nieuw, maar het verhaal is helaas maar al te bekend. Ik hoorde het twintig jaar geleden toen ik advocaat was van cliënten en van collega-advocaten. Ik lees het in uitspraken van rechters die ik momenteel onderzoek.
Het is het verhaal van kwetsbare, geïsoleerde kinderen, die worden ingepalmd met aandacht en warmte, wat langzaam overgaat in aanrakingen, die steeds meer seksueel van aard worden, totdat op een gegeven moment allen het seksueel misbruik overblijft. Een geraffineerde strategie, want het kind herinnert zich wel de warmte en aandacht, en blijft -vaak tegen beter weten in- hopen dat deze weer terug komt.
Kinderen in de jeugdzorg zijn bovendien extra kwetsbaar, omdat ze afhankelijk zijn van instanties: de staf van de instelling waar ze wonen; de gezinsvoogd; de raad voor de kinderbescherming. En de contacten van de pleger met deze instanties is vaak vele malen beter dan die van het kind. Iets wat de pleger doorgaans ook heel goed duidelijk maakt. De drempel om misbruik te melden is daarmee immens hoog. Dat de meeste instellingen inmiddels protocollen hebben die voorschrijven dat meldingen serieus genomen moeten worden en dat er altijd aangifte van moet worden gedaan bij de politie doen daar weinig aan af, zolang jeugdigen niet zien dat deze protocollen ook werken, dat slachtoffers worden beschermd en plegers worden gestraft.
Wat dat betreft is de veroordeling van Keith Bakker een goed signaal.
Maar het is bij lange na niet genoeg. Willen slachtoffers seksueel misbruik gaan melden, dan moeten ze dat kunnen doen zonder risico daar zelf nadelige gevolgen van te ondervinden. Zelfs zonder angst voor dat risico. En dat zal niet meevallen.
Wat daar naar mijn idee in ieder geval voor nodig is is een onafhankelijk meldpunt (dus niet alleen binnen de eigen instelling), waar de jongere direct een goede rechtshulpverlener krijgt toegewezen die de (juridische) mogelijkheden en risico's met de jongere (en indien de jongere dat wenst diens ouders) bespreekt, en die samen met de jongere de nodige stappen kan zetten. Die rumoer kan maken wanneer de zaak in de doofpot dreigt te belanden of er gedreigd wordt met overplaatsing. Die kan staan op naleving van de protocollen, en ook weet waar de instellingen op aangesproken kunnen worden.
Een onafhankelijk meldpunt met snelle juridische bijstand zal de drempels om te melden niet wegnemen, maar naar mijn overtuiging wel een stukje lager kunnen maken.
Zodat de verhalen naar buiten blijven komen, plegers en lakse instellingen aangepakt worden en jongeren zien dat melden zin heeft.
De commissie Samson – die een groot onderzoek doet naar seksueel misbruik binnen de jeugdzorg – komt in oktober met haar rapport, waarin naar verwachting vele aanbevelingen. Moeten we daar op wachten?
Het nieuws van vandaag brengt niets nieuws, maar brengt wel momentum. Laten we dat aangrijpen om werk te maken van een betere positie van slachtoffers in de jeugdzorg, en in ieder geval zorgen dat alle melders snel juridische bijstand krijgen.

PS: de commissie Samson heeft een -tijdelijk - meldpunt waar jongeren sesueel misbruik binnen de jeugdzorg kunnen melden. Meldingen worden gebruikt voor het onderzoek door de commissie; maar slachtoffers kunnen ook advies krijgen.

PS2: Natuurlijk moet er ook binnen de Jeugdzorg veel gebeuren. Preventie, bespreekbaar maken, cultuurverandering.

donderdag 22 maart 2012

Het belang van slachtoffers

Zoals ik net op twitter schreef: "Het kan verkeren, ineens buitelen partijen over elkaar heen voor slachtofferrechten. Mooi, maar pas op voor scheppen irreele verwachtingen."En "Als er iets fnuikend is voor slachtoffers: verwachtingen wekken die niet waargemaakt worden. #secundairevictimisatie" Met daarbij een link naar een onderzoek dat ik twee jaar geleden samen met Marjan Wijers heb gedaan naar secundaire victimisatie in het strafproces (het verergeren van het slachtofferschap door het strafproces). Omdat het wel relevant is voor de huidge discussie, hierbij de slotconclusie van dat onderzoek:

De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat secundaire victimisatie van slachtoffergetuigen door het strafproces met enige regelmaat voorkomt. Daarbij lijkt het vooral te gaan om negatieve effecten op het vertrouwen van het slachtoffer in zichzelf, de toekomst, de wereld en het rechtssysteem, en in mindere mate om re-traumatisering, dat wil zeggen verergering van de post traumatische stressreacties als gevolg van het oorspronkelijk misdrijf bij slachtoffers die aan PTSS lijden. Slachtofferondersteuners noemen daarnaast secundaire victimisatie in de vorm van belemmering van herstel; dit komt ook in de interviews met slachtoffers naar voren. Extra schade door een nieuw, tweede trauma veroorzaakt door het strafproces wordt slechts bij uitzondering genoemd.

Secundaire victimisatie speelt niet alleen bij het verhoor van het slachtoffer als getuige door de RC of op de zitting. Ook de onevenwichtigheid tussen de positie van de verdachte en die van het slachtoffer, de lange duur van het strafproces, gebrek aan informatie, bejegeningsfactoren en onvrede met de uitkomst spelen een rol.

Centrale begrippen bij het voorkomen van secundaire victimisatie lijken voorspelbaarheid, controle/beheersbaarheid, veiligheid en rechtvaardigheid te zijn. Hoe hoger het strafproces hierop ‘scoort’, hoe kleiner de kans op secundaire victimisatie. Of het slachtoffer daadwerkelijk extra schade of leed ondervindt door het strafproces hangt echter niet alleen af van factoren binnen het strafproces, maar ook van de ernst en aard van het misdrijf, persoonlijke kenmerken van het slachtoffer en de sociale context. Ook deze factoren 'scoren' op de dimensies veilig of onveilig, voorspelbaar of onvoorspelbaar, et cetera. Bij persoonlijke kenmerken gaat het dan vooral om kenmerken die de behoefte aan voorspelbaarheid, veiligheid etc. groter kunnen maken, zoals eerdere traumatische ervaringen of een verstandelijke beperking. Voor het strafproces is dit relevant, omdat het betekent dat sommige slachtoffers (gezien de aard van het delict, hun persoonlijke eigenschappen of omgevingsfactoren) extra kwetsbaar of vatbaar zijn voor secundaire victimisatie.

Vanuit het oogpunt van voorspelbaarheid vormen vooral de informatieverschaffing aan slachtoffers, de gang van zaken rondom het verhoor bij de RC of op de zitting en de lange duur van het strafproces knelpunten. Gebrek aan controle speelt vooral ten aanzien van beslissingen met betrekking tot vervolging, voorlopige hechtenis en de wijze van afdoening. De wensen en belangen van het slachtoffer spelen hierin slechts zeer beperkt een rol. Een duidelijk knelpunt vormt het verkrijgen van een afschrift van/inzage in de eigen aangifte en het strafdossier, al dan niet via de slachtofferadvocaat. Knelpunten met betrekking tot veiligheid zijn de keuze voor de plaats waar de aangifte wordt opgenomen, de geheimhouding van adres- en persoonlijke gegevens, het opvragen van informatie bij derden, met name het feit dat het slachtoffer zich er van bewust moet zijn dat alle informatie in het dossier wordt opgenomen en dus kenbaar is voor de verdachte, en het verhoor bij de RC of ter zitting, en dan vooral de behandeling door de advocaat van de verdachte. Ook is onduidelijk bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor de voorbereiding van het slachtoffer op het verhoor en willen er nog wel eens dingen fout lopen rondom de zitting, zoals slachtoffers en verdachten die bij elkaar in de wachtkamer of naast elkaar in de zittingszaal worden geplaatst. Waar het gaat om rechtvaardigheid ervaren slachtoffers vooral de onevenwichtigheid in de positie van verdachte en slachtoffer als onrechtvaardig: naar hun gevoel heeft de verdachte alle rechten en zij niets. Hieronder valt ook het gegeven dat de verdachte toegang heeft tot het gehele strafdossier met alle informatie over het slachtoffer, terwijl het slachtoffer vaak niet eens de eigen aangifte krijgt. Andere punten vanuit het perspectief van rechtvaardigheid zijn een goede motivering van het vonnis, hetgeen nu vaak ontbreekt – als slachtoffers het vonnis al krijgen -, en de uitkomst van de strafzaak. Met betrekking tot dit laatste valt op dat alle geïnterviewde slachtoffers het voorkomen van herhaling als belangrijk element noemen.

Over de positie van het slachtoffer in het strafproces denken vooral officieren van justitie, RC’s en rechters zeer verschillend, variërend van ‘het is goed zo en moet zo blijven’ tot ‘het moet anders’. Men lijkt zich nauwelijks bewust te zijn van de implicaties van de nieuwe Wet versterking positie slachtoffers. Dit geldt vooral waar het gaat om de invoering van een met de ‘onschuldpresumptie’ voor de daders vergelijkbare presumptie voor slachtoffers: een slachtoffer moet als slachtoffer worden beschouwd totdat het tegendeel komt vast te staan. Ook de opvattingen over de eigen taak met betrekking tot de bescherming van de belangen van het slachtoffer lopen zeer uiteen. Een gedeelde visie hierop lijkt vooral bij de rechtelijke macht te ontbreken. Over het algemeen zijn de verschillende respondenten wel bereid om de belangen van het slachtoffer mee te wegen. Dit gaat echter niet vanzelf. De indruk bestaat dat niet alle respondenten zich bij hun beslissingen steeds bewust zijn van slachtofferbelangen. Vrijwel nooit nemen respondenten het initiatief om het slachtoffer zelf in de belangenafweging te betrekken. Slachtofferbelangen worden vooral meegenomen zolang zij niet te veel kosten en niet strijdig zijn met de belangen van de verdachte of van het strafproces.

Tenslotte valt op dat nauwelijks (empirisch) onderzoek is gedaan naar secundaire victimisatie van slachtoffers als gevolg van het strafproces. Voor eventueel vervolgonderzoek is van belang dat dit zich niet alleen zou moeten richten op slachtoffers van juridisch ernstige delicten en dat bijzondere aandacht wordt besteed aan groepen die extra kwetsbaar zijn voor secundaire victimisatie. Hierbij gaat het niet alleen om kinderen en mensen met een verstandelijke beperking, maar ook om groepen die om andere redenen extra kwetsbaar zijn voor secundaire victimisatie.

Het hele onderzoek vind je hier

zondag 26 februari 2012

Verbeter de positie van slachtoffers, maar doe het goed!

Wij zijn verheugd dat de positie van slachtoffers in het strafproces de afgelopen dagen zoveel belangstelling kreeg, onder meer in de verschillende dagbladen.
Verschillende voorstellen om de positie van slachtoffers in het strafproces te verbeteren zijn gelanceerd. Dat is toe te juichen. Maar zijn al deze voorstellen echt in het belang van slachtoffers? Dat is volgens de werkgroep seksueel geweld van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann, die zich ten doel stelt het belang van slachtoffers van zedendelicten te behartigen, niet bij alle voorstellen het geval, zeker niet waar het gaat om een kwetsbare groep als de zedenslachtoffers.

De Raad voor de Rechtspraak lanceerde drie concrete voorstellen: een eigen plek voor slachtoffers en hun advocaat in de rechtszaal, een opsplitsing van het strafproces in twee delen en de mogelijkheid om de vordering tot schadevergoeding op een simpele manier door te geleiden naar de civiele rechter.

Over de vaste plek voor het slachtoffer in de rechtszaal niets dan goeds mits de wens van het slachtoffer om anoniem in het publiek te zitten altijd wordt gerespecteerd. De opdeling van het strafproces en het doorverwijzen van de vordering hebben echter vanuit slachtofferperspectief niet alleen voordelen.

Voorgesteld wordt het strafproces in twee delen te splitsen: een deel voor de waarheidsvinding waar het slachtoffer als getuige aanwezig is en een deel waar de straftoemeting en de vordering tot schadevergoeding centraal staat, waar het slachtoffer als benadeelde partij deelneemt aan het proces. Het gevaar bestaat dat het slachtoffer in het tweede deel weliswaar een sterkere positie krijgt, maar dat moet bekopen met een verzwakte positie in het eerste deel, waar het gaat om de bewezenverklaring. De rol van het slachtoffer is daarbij vooral die van getuige, die dienstbaar is aan de waarheidsvinding. Een positie waarin met name slachtoffers van zedendelicten bijzonder kwetsbaar zijn. Bij een opdeling van het proces zal deze eerste fase voor slachtoffers bijzonder frustrerend zijn: tijdens het verhoor wordt flink doorgevraagd waardoor zij het gevoel hebben niet geloofd te worden en zij mogen niet reageren op wat de verdachte zegt. Dat kan tijdens de zitting ook niet meer worden gecompenseerd door het uitspreken van de slachtofferverklaring, die is immers voor de tweede fase.
Bovendien zal opdeling van het strafproces naar verwachting betekenen dat het slachtoffer op twee momenten moet verschijnen op de zitting waardoor de afhandeling van de strafzaak in tijd aanmerkelijk langer gaat duren, hetgeen nadelig is voor het slachtoffer. En dan hebben we het nog niet over juridische complicaties, want kan een verdachte voor de strafmaatbepaling in het tweede deel al in hoger beroep tegen de bewezenverklaring van het eerste deel?

Het voorstel van de Raad voor de Rechtspraak voor een klapluikconstructie, waarbij vorderingen van slachtoffers die te ingewikkeld zijn voor het strafproces direct kunnen worden doorverwezen naar een kosteloze procedure bij de civiele rechter, klinkt sympathiek, maar heeft de nodige haken en ogen. Het gevaar is levensgroot dat strafrechters in grote mate gebruik gaan maken van dit klapluik, en vorderingen die niet heel simpel zijn zullen gaan doorverwijzen. Vorderingen in zedenzaken worden vaak als gecompliceerd gezien, en lopen daarom het risico doorgeschoven te worden. Het gevolg zal zijn dat slachtoffers langer op een uitspraak over de schadevergoeding moeten wachten. Bovendien kan de schadevergoeding niet meer gekoppeld worden aan de strafrechtelijke schadevergoedingsmaatregel, (in dat geval int de Staat de schadevergoeding) waardoor slachtoffers weer zelf verantwoordelijk zijn voor het innen van het toegewezen bedrag. Ook lopen slachtoffers dan de de fantastische nieuwe regeling mis waarbij de Staat de schadevergoeding voorschiet aan het slachtoffer en verhaalt bij de dader, waardoor het slachtoffer snel de schadevergoeding uitbetaald krijgt. .

Wij vinden het positief dat er concrete plannen worden ontwikkeld voor de verbetering van de positie van slachtoffers. Het is echter van groot belang deze plannen goed te doordenken op hun consequenties voor ook de meest kwetsbare groep slachtoffers.
En laten we wel wezen: er kan al heel veel verbeteren zonder nieuwe regelgeving. Zo zouden binnen het huidige slachtofferbeleid alle officieren van justitie bij belangrijke stappen in het strafproces (zoals het formuleren van de eis) al aan het slachtoffer kunnen vragen: wat zou u willen dat er gebeurt? Niet om de wens van het slachtoffer klakkeloos te volgen, maar wel om deze in zijn of haar afweging mee te nemen. Simpel, en zeer doeltreffend. Morgen beginnen?

Namens de werkgroep seksueel geweld van de Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann,
Margreet de Boer en Katinka Lünnemann

Bovenstaand opiniestuk is ook geplaatst op Joop.nl en op de website van de Vereniging voor Vrouw en Recht