donderdag 29 maart 2018

Brief aan het slachtofferloket

Slachtoffers van misdrijven hebben de mogelijkheid om in een strafzaak een schadevergoeding te vragen. Zij krijgen daarvoor een formulier toegestuurd door het Openbaar Ministerie.
Meestal zit er bij dat formulier een brief dat het formulier binnen twee weken teruggestuurd moet worden. Vaak op een moment dat er nog niets bekend is over een zittingsdatum.
Slachtoffers raken hiervan regelmatig in paniek.
Paniek die nergens voor nodig is; de wet bepaalt namelijk dat een vordering tot op de zitting mag worden ingediend.
In een van mijn zaken maakte het OM het nog bonter. Mijn cliënte kreeg een herhalingsverzoek voor het opsturen van het formulier, dit keer met een termijn van 7 dagen.
Ik schreef het onderstaande terug:


Geachte heer, mevrouw,

In bovengenoemde zaak ontving ik ten behoeve van cliënte een 'herhalingsverzoek insturen formulier Verzoek tot schadevergoeding'.
Ik wijs u er - naar ik aanneem ten overvloede- op dat een vordering benadeelde partij tot op de zitting kan worden ingediend.
Ik heb reeds aangegeven dat ik namens cliënte een vordering zal gaan indienen voor de door haar geleden materiele en immateriële schade.
Ik streef er naar deze vordering ongeveer twee weken voor de te plannen zitting in te dienen. De vordering is dan zo actueel mogelijk; eventuele kosten tot aan het moment van opstellen kunnen worden meegenomen.

Voorts wil ik voor het opstellen van de vordering kennis nemen van het strafdossier. Dat strafdossier is door mij op 3 januari jl. bij u opgevraagd; tot op heden heb ik dat echter niet mogen ontvangen.
Graag ontvang ik het dossier alsnog met enige spoed.

Tot slot merk ik op dat mijn ervaring is dat cliënten onnodig gestresst raken van de -onjuiste- mededeling dat het formulier schadevergoeding binnen een aantal weken of dagen ingediend moet worden en dat er anders geen rekening mee gehouden kan worden.
Mede gezien uw opdracht secundaire victimisatie bij slachtoffers te voorkomen wil ik u vragen te bewerkstelligen dat dergelijke brieven niet meer verzonden worden.
Daarbij merk ik nog op dat in zaken waarin zich een advocaat heeft gesteld voor het slachtoffer er ook voor gekozen kan worden om even telefonisch contact op te nemen met deze advocaat om te informeren naar de voorgenomen vordering tot schadevergoeding.

Met vriendelijke groet,

Margreet de Boer
Advocaat

UPDATE 30 maart:
Ik werd gebeld door een medewerker van het OM, die mij bedankte voor de signalering, en toezegde intern te zullen bekijken of de (standaard) brieven aan slachtoffers van ernstige misdrijven iets anders geformuleerd kunnen worden.

dinsdag 13 maart 2018

Uitbreiding spreekrecht


Onlangs liet minister Sander Dekker van rechtsbescherming weten het spreekrecht voor slachtoffers opnieuw uit te willen breiden. Zo wil hij verdachten dwingen de spreekrechtverklaring van het slachtoffer aan te horen, en wil hij slachtoffers spreekrecht geven bij verlengingszittingen TBS.
Over dat verplicht aanhoren valt het nodige te zeggen (wat ook werd gedaan en ik nu niet ga doen, afgezien van de opmerking dat dit in de praktijk niet een knelpunt is dat ik als slachtofferadvocaat tegenkom), maar ik wil het nu even hebben over de zittingen waarop je als slachtoffer mag spreken. Daarbij heeft de minister naar mijn idee een belangrijke categorie zittingen over het hoofd gezien, namelijk de zittingen naar aanleiding van verzoeken opgelegde bijzondere voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod, op te heffen of te wijzigen (geregeld in artikel 14 f en verder van het wetboek van strafrecht). Slachtoffers hebben hierbij nu formeel geen spreekrecht, sterker nog, ze worden niet eens opgeroepen of op de hoogte gesteld van deze verzoeken / zittingen. Terwijl het gaat om bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd om de slachtoffers te beschermen. Hun belangen zijn dus rechtstreeks in het geding.

Vandaag had ik zo’n zaak.
Een man is eerder door het Hof veroordeeld tot een forse gevangenisstraf wegens langdurig, ernstig huiselijk geweld tegen zijn vrouw en twee van zijn kinderen. Hij heeft ter bescherming van de slachtoffers ook een contactverbod en locatieverbod opgelegd gekregen, als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk deel van zijn straf.
Omdat de man vond dat hij teveel last heeft van het locatieverbod heeft hij een verzoek gedaan aan het Hof de bijzondere voorwaarden te wijzigen en het locatieverbod te schrappen of te beperken.
Als advocaat van het slachtoffer ben ik niet op de hoogte gesteld van het verzoek, of van de datum waarop dit verzoek behandeld zou worden. Noch door het Hof, noch door het Openbaar Ministerie (en ook niet door de advocaat van de verdachte, maar dat spreekt eigenlijk voor zich helaas). Slechts per toeval kwamen wij hier achter: de reclassering was blijkbaar om advies gevraagd en was zo verstandig genoeg bij ons te informeren hoe het ging, en hoe cliënten dachten over het verzoek. Het kostte vervolgens nog veel moeite om te achterhalen wanneer de zitting zou zijn, en om het verzoek toegezonden te krijgen.
Gelukkig heb ik nog wat documenten aan het Hof kunnen sturen om het belang van cliënten bij handhaving van het verbod te onderbouwen, zoals een korte verklaring van de behandelaar van de kinderen. En gelukkig mocht ik vandaag bij het Hof ook kort op het verzoek reageren en mondeling toelichten waarom mijn cliënten belang hebben bij handhaving van een locatieverbod. Daarbij werd door de voorzitter wel duidelijk gemaakt dat dit geen recht is, en dat het dus terecht was geweest dat de slachtoffers niet waren opgeroepen.

Of het locatieverbod gehandhaafd wordt weet ik nog niet; de uitspraak is over twee weken.
Wat ik wel weet is dat de belangen en de wensen van de vrouw en de kinderen nu duidelijk over het voetlicht zijn gebracht, en meegewogen zullen worden bij de beslissing die het Hof gaat nemen.
Het had ook anders kunnen gaan. De reclassering had kunnen besluiten om enkel op basis van het contact met de veroordeelde te adviseren. Dan hadden wij niet van het verzoek en de zitting geweten. Dan hadden de slachtoffers, die niet beter weten dan dat zij drie jaar lang beschermd zijn door een contact- en locatieverbod, zomaar geconfronteerd kunnen worden met de veroordeelde. Met alle schadelijke gevolgen van dien.

Daarom dus, minister Dekker, als u iets wilt doen aan de uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers, begin dan bij het vastleggen van het spreekrecht waar het gaat om de zittingen waar verzoeken tot wijziging van de bijzondere voorwaarden aan de orde zijn, met name wanneer het bijzondere voorwaarden betreft die zijn opgelegd ter bescherming van juist die slachtoffers.

zondag 29 november 2015

Geen ja = nee? Het verdrag van Istanbul en de strafbaarstelling van onvrijwillige seks

Op 18 november heeft Nederland (eindelijk) het verdrag van Istanbul bekrachtigd (zie nieuwsbericht College vd Mensenrechten). Het verdrag van Istanbul heet voluit het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Er is een mooie website van de Raad van Europa over het verdrag, met veel informatie, en natuurlijk de tekst van het verdrag.
Het verdrag van Istanbul treedt voor Nederland in werking op 1 maart 2016.
Verandert er dan wat op het gebied van de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld?
Volgens de regering zal er - naast enkele kleine wetswijzigingen op het gebied van huwelijksdwang die zijn opgenomen in een uitvoeringswet - niets hoeven veranderen in Nederland; volgens de regering voldoen we aan alle bepalingen van het verdrag.
Daar heb ik nog wel wat vraagtekens bij; naar mijn idee bevat het verdrag een aantal bepalingen die ook Nederland nopen tot aanpassing van de wet, de rechtspraktijk en/of het beleid.
Over zaken als de gender-sensitieve aanpak, risico-taxaties en de aandacht voor huiselijk geweld bij gezag en omgang heb ik het later nog wel eens, nu wil ik het hebben over het artikel in het verdrag dat staten verplicht stelt om onvrijwillige seks strafbaar te stellen:

Article 36 – Sexual violence, including rape
1Parties shall take the necessary legislative or other measures to ensure that the following intentional conducts are criminalised:
aengaging in non-consensual vaginal, anal or oral penetration of a sexual nature of the body of another person with any bodily part or object;
bengaging in other non-consensual acts of a sexual nature with a person;
ccausing another person to engage in non-consensual acts of a sexual nature with a third person.
2Consent must be given voluntarily as the result of the person’s free will assessed in the context of the surrounding circumstances.
Ik kan dit niet anders lezen dan dat er een JA nodig is, en dat seksueel contact zonder JA strafbaar gesteld moet worden.
En dat is wat anders dan wat ons wetboek van strafboek doet; dat stelt alleen seksueel contact strafbaar als er sprake is van NEE, en bovendien ook nog van geweld, dreiging met geweld of 'andere feitelijkheden' om dat NEE te breken.
In de afgelopen weken zijn er veel vrouwen (en enkele mannen) naar buiten gekomen met verhalen over seksueel ongewenst gedrag (o.a. via twitter via #zeghet en #breakthesilence) wat niet gezien werd als aanranding of verkrachting, omdat ze niet, of niet duidelijk genoeg NEE hadden gezegd. Ook in mijn praktijk kom ik cliënten tegen die van de politie te horen hebben gekregen dat er niets strafbaars is gebeurd, terwijl ze onvrijwillige seks hebben gehad.
Dat de onvrijwillige seks die ze hebben moeten ondergaan niet strafbaar is, is voor veel mensen niet te begrijpen. En volgens het verdrag van Istanbul zouden ze het ook niet hoeven begrijpen, want zou de strafbaarstelling dus uitgebreid moeten worden.
Betekent dat het strafrecht de oplossing is voor alles, en dat elke mislukte non-verbale versierpoging bestraft moet worden? Natuurlijk niet. En in de praktijk zullen er weinig extra seksuele delicten vervolgd worden als de definitie wordt veranderd: de bewijsproblemen blijven, en het OM mag zaken met weinig impact buiten vervolging laten. Maar de symbolische waarde van een strafbaarstelling van 'geen ja', in plaats van 'nee' mag niet onderschat worden. Dat niet bewezen kan worden wat er precies is gebeurd is iets waar veel mensen nog wel vrede mee kunnen hebben; dat hetgeen wat jou wordt aangedaan niet strafbaar is niet. Als het niet strafbaar is was het blijkbaar OK, en is het dus je eigen schuld dat het gebeurd is. Dan had je maar (duidelijker) NEE moeten zeggen. Wij juristen kunnen nog zo vaak uitleggen dat wat niet strafbaar is niet automatisch OK is; voor slachtoffers voelt dat heel anders.
Het Verdrag van Istanbul benadrukt dat alle seks die niet met wederzijds goedvinden plaats heeft ongeoorloofd is, en strafbaar gesteld moet worden.
Werk aan de winkel dus voor de Nederlandse wetgever!

En voor wetgevers in veel andere Europese landen. Op de 3d World Conference on Women's Shelters heb ik in een workshop die ik mocht geven over het Istanbul Verdrag kort geïnventariseerd hoe het in de diverse landen is geregeld, en daar bleken grote verschillen. Zo is in Duitsland geweld nog een vereiste, en is er in de VK al wel sprake van verkrachting als er geen 'Ja' is. En ik begreep dat België twee delicten heeft: één voor seks tegen de wil, en één (met een lagere strafmaat) voor seks zonder toestemming. Dat lijkt me een interessant model; misschien kunnen we op dit punt een voorbeeld nemen aan onze zuiderburen.


donderdag 13 augustus 2015

Spijtig. Een pleidooi voor risico-taxatie door de politie en een wet tijdelijk contactverbod

Spijtig, dat woord gebruikte de woordvoerder van de politie gisteren meermalen toen hij het had over het feit dat de politie niets had gedaan met de aangiften en meldingen van de vrouw die in Waalwijk door haar ex-partner is vermoord.
Spijtig. Een woord wat medeleven lijkt te tonen, maar verantwoordelijkheid schuwt.
Spijtig. Een woord dat absoluut geen recht doet aan de ernst van wat er gebeurd is.
Het is te hopen dat de politie na het interne onderzoek met wat steviger woorden komt. Woorden die wel recht doen aan de ernst van de situatie; woorden die laten zien dat de politie zijn verantwoordelijkheid neemt. Voor wat er mis gegaan is, en opdat het in de toekomst niet nog eens zo mis zal gaan.

Je kunt je afvragen of de politie een weloverwogen, geplande partnerdoding had kunnen voorkomen als er wel iets met de aangifte was gedaan; als er wel een huiszoeking had plaatsgevonden; als er wel met de man was gesproken. Maar dat betekent niet dat er geen zinvolle maatregelen genomen kunnen worden; genomen moeten worden.

Ik hoop dat het onderzoek van de politie zich niet alleen richt op de vraag wat er in deze zaak niet goed is gegaan, maar ook kijkt naar hoe de politie in zijn algemeenheid omgaat met meldingen en aangiften van bedreiging en stalking door ex-partners.
Want dat deze meldingen en aangiften niet leiden tot actie van de politie is eerder regel dan uitzondering, als ik afga op de ervaringen van de clienten van ons advocatenkantoor.
Soms is er een betrokken wijkagent die er wel werk van maakt, maar bij meldingen op het bureau gaat een aangifte vaak 'het systeem'  in, en ontvangt de aangever op zijn beste na een aantal maanden een bericht dat de zaak wordt geseponeerd.

Wat zou er anders kunnen, anders moeten?
Het allerbelangrijkste is naar mijn idee dat er een andere focus moet komen van de politie bij aangiften van stalking en bedreiging door ex-partners. Een focus die niet primair gericht is op de vraag of er een strafzaak rond gemaakt kan worden, maar een focus op de veiligheid van de aangever, en eventuele kinderen.
Dat betekent in de eerste plaats dat er een risico-taxatie gemaakt moet worden door de politie. Iets dat overigens ook wordt voorgeschreven door het verdrag van Istanbul, het verdrag tegen geweld tegen vrouwen en huiseljk geweld dat onlangs door Nederland is geratificeerd. De instrumenten voor het maken van een dergelijke risico-analyse zijn er. De vrouwenopvang werkt al enkele jaren met een risico-analyse-instrument, en dit jaar is er een zogenaamd triage instrument beschikbaar gekomen binnen de Veilig Thuis aanpak.
Het betekent ook dat de politie na een risico-analyse moet handelen. De aangever adviseert, doorverwijst naar Veilig Thuis of de vrouwenopvang voor een veilige opvangplek of andere hulp; bekijkt of het gebruik van het meldsysteem AWARE aangewezen is, en zo mogelijk stappen zet richting de ex-partner. En als er naast dit alles voldoende aanleiding is voor het inzetten van een strafrechtelijk traject moet dat natuurlijk ook gebeuren.

Hoewel de politie dus al een behorlijk instrumentarium tot zijn beschikking heeft, mist er naar mijn idee wel een instrument. De politie heeft niet de mogelijkheid om snel een straat- of contactverbod op te leggen.
Waar bij dreigend huiselijk geweld tussen partners die samen in een huis wonen wel een tijdelijk huisverbod kan worden opgelegd, is er geen wettelijke mogelijkheid om bij stalking of bedreiging door een ex-partner snel een tijdelijk straat- of contactverbod op te leggen.
Aangevers krijgen nu vaak het bericht dat ze voor een straat- of contactverbod zelf naar een advocaat moeten. En ja, wij kunnen een straat- en contactverbod vragen in een kort geding, maar dat kost tijd, en geld.
Een tijdelijk straat- of contactverbod bij bedreiging en stalking door ex-partners wat door de politie snel kan worden opgelegd -analoog aan het huisverbod bij huiselijk geweld- zou volgens mij een goede aanvulling zijn op de mogelijkheden die er nu al zijn.

Dus als de politie vanaf nu veiligheid voorop zet en echt werk gaat maken van risico-taxaties bij stalking en bedreiging, en de wetgever de wettelijke regeling van het huisverbod uitbreidt naar een straat- en contactverbod bij stalking en bedreiging, kunnen we mogelijk een stap verder zetten in het beschermen van vrouwen -en mannen- die bedreigd en gestalkt worden door hun ex-partner.
Want het zou toch bijzonder spijtig zijn als zelfs nadat het kalf verdronken is de punt niet wordt gedempt.





maandag 10 augustus 2015

Slachtofferpresumptie

We hebben allemaal geleerd dat we totdat er een veroordeling van de strafrechter heeft plaatsgevonden niet van een dader mogen spreken, maar verdachte zeggen. Iemand is immers onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie noemen we dat.
Maar hoe zit dat met het slachtoffer van een misdrijf? Mag hij of zij ook pas slachtoffer heten na de veroordeling van de verdachte; dus op het moment dat de verdachte dader wordt? En hoe noemen we het slachtoffer daarvoor dan? Aangever? Vermeend slachtoffer?
Afgelopen weekend ontstond hierover een kleine discussie op Twitter, toen Eva Kwakman, landelijk officier van justitie huiselijk geweld/zeden,  liet weten dat het Openbaar Ministerie in de nieuwe aanwijzing voor de opsporing en vervolging in zedenzaken niet langer zal spreken van 'aangever', zoals in de vorige aanwijzing, maar weer van 'slachtoffer'.

Dit is trouwens in lijn met andere en eerdere aanwijzingen, en de strafwet zelf, ook waar het de positie gedurende het strafproces betreft (en dus voor dat er een bewezenverklaring is; voordat de verdachte dader is geworden).
Op twitter kwam de nodige kritiek op deze aankondiging: met het hanteren van het begrip slachtoffer zouden de onschuldpresumptie en de neutraliteit van het strafrechtsysteem in het geding komen.
Ik heb in die discussie betoogd dat dat niet het geval hoeft te zijn, dat onschuldpresumptie en wat ik maar noem slachtofferpresumptie heel goed naast elkaar kunnen bestaan. (zie voor de twitterdiscussie de timeline van Eva Kwakman.

Voordat ik daar nog iets meer over zeg, eerst de opmerking dat het volgens mij niet toevallig is dat de discussie ontstaat over de aanwijzing met betrekking tot zedenmisdrijven. Nergens liggen slachtofferschap en vermeend slachtofferschap zo gevoelig als juist op dat terrein. Als het over mogelijk valse aangiften gaat, gaat het altijd over zedenzaken, en nooit over aangiften van diefstal (waar vanuit het oogpunt van het opstrijken van verzekeringsgeld het doen van valse aangifte niet ondenkbaar is). Waar niemand een punt maakt dat Slachtofferhulp Nederland zo heet, of het algemene slachtofferloket van het OM, vindt men het wel een probleem dat iemand die mogelijk slachtoffer is van een zedenmisdrijf slachtoffer wordt genoemd, omdat dat de neutraliteit van ons strafrechtsysteem zou aantasten. Dat is natuurlijk niet voor niets: juist op het gebied van zedenzaken liggen zowel slachtofferschap als daderschap heel gevoelig. Het gaat om je seksualiteit, je intimiteit, je eer, je geloofwaardigheid, je betrouwbaarheid, je integriteit, mens-zijn. En juist daarom is in zedenzaken de onschuldpresumptie voor verdachten van groot belang. Maar ook daarom is juist in zedenzaken de slachtofferpresumptie van evenzo groot belang. Want ook voor de slachtoffers is heel hun wezen in het geding.

En zoals ik al zei is het volgens mij heel goed mogelijk om de onschuldpresumptie en een slachtofferpresumptie naast elkaar te hanteren in de fase van onderzoek en opsporing van strafbare feiten. Let wel, ik heb het uitdrukkelijk niet over de uiteindelijke bewezenverklaring door de strafrechter; de basis van ons strafrechtsysteem is dat daar de onschuldpresumptie leidend is: er moet wettig en overtuigend bewezen zijn dat de verdachte het ten laste gelegde feit gepleegd heeft, anders wordt hij geen dader maar gaat hij vrijuit. Dit betekent overigens niet dat het slachtoffer dan geen slachtoffer is; daar doet de rechter in de meeste zaken geen uitspraak over. De mogelijkheid dat er een andere dader is, of dat de verdachte toch de dader is maar het niet bewezen kan worden blijft bestaan. Met andere woorden: als het daderschap vast komt te staan, komt over het algemeen ook het slachtofferschap vast te staan. Komt het daderschap niet vast te staan, dan impliceert dat slechts zelden een oordeel over het slachtofferschap; daar hoeft de rechter namelijk niet over te oordelen.

In de fase van opsporing en vervolging kunnen onschuldpresumptieen slachtofferpresumptie heel goed naast elkaar bestaan, en moeten ze dat volgens mij ook. We hebben het dan over de neutraliteit in het onderzoek en de bejegening van verdachte respectievelijk slachtoffer. Neutraliteit in het onderzoek betekent dat alle opties open moeten staan en onderzocht moeten worden. Het naast elkaar bestaan van twee tegenstrijdige presumpties (het slachtoffer is slachtoffer en de verdachte is onschuldig) kan alleen maar bijdragen aan het voorkomen van tunnelvisie. Daarbij moet worden opgemerkt dat een presumptie niet inhoudt dat de politie de mogelijkheid dat de waarheid anders is dan volgens de presumptie niet zou mogen onderzoeken; anders zou de politie dankzij de onschuldpresumptie niet mogen onderzoeken of de verdachte het misschien wel heeft gedaan; en dat betoogt neem ik aan niemand. De onschuldpresumptie in de onderzoeksfase betekent volgens mij dat politie en justitie het scenario dat de verdachte onschuldig is niet bij voorbaat uitsluit, en dat scenario ook expliciet onderzoekt. Een spiegelbeeldige slachtofferpresumptie is daarnaast heel goed denkbaar: politie en justitie mogen niet bij voorbaat uitsluiten dat het slachtoffer slachtoffer is, en moeten dat scenario expliciet onderzoeken. In de meeste gevallen gebeurt dat natuurlijk al, maar door een dergelijke presumptie expliciet te maken geef je aan dat iedere aangifte serieus moet worden onderzocht, en dat niet te lichtvaardig (lees zonder onderzoek) aangenomen mag worden dat een aangifte wel vals zal zijn.

Ook in de bejegening is het hanteren van een slachtofferpresumptie van groot belang. Net zoals het voor een verdachte van groot belang is om serieus genomen te worden en zich niet al bij voorbaat veroordeeld te worden is het voor een slachtoffer ook van groot belang serieus genomen te worden en niet bij voorbaat als potentiële leugenaar gekwalificeerd te worden. Het niet serieus genomen worden is een belangrijke oorzaak van secundaire victimisatie (het verergeren van het trauma van slachtoffers door het strafproces). En ik denk dat het serieus genomen en het correct bejegend worden voor slachtoffers van zedenzaken extra belangrijk is. Zij worden meerdere malen en tot in detail bevraagd over seksuele ervaringen; moeten zich tot in hun diepste privé en soms ook letterlijk blootgeven in het onderzoek. Het doen van aangifte van een zedenmisdrijf is zwaar; het als slachtoffer doorlopen van een strafprocedure (die inclusief hoger beroep zomaar twee jaar kan duren) is nog zwaarder. Voor slachtoffers van zedenmisdrijven is het van belang in die moeilijke periode serieus genomen te worden. Dat doe je door ze slachtoffer te noemen, en niet door ze te bestempelen als 'aangever'of, erger nog, als 'vermeend slachtoffer', een term waar de twijfel vanaf druipt.
In een onderzoek naar secundaire victimisatie dat ik samen met Marjan Wijers in 2010 heb gedaan bleek overigens dat de professionals in de strafrechtketen (politie, OM, Rechter-Commissarissen) aangaven heel goed overweg te kunnen met de combinatie van onschuldpresumptie en slachtofferpresumptie: de waarheidsvinding staat voorop, en daarbinnen kunnen beide presumpties prima een rol spelen waar het gaat om het openhouden van alle opties en het bejegenen van verdachte en slachtoffer.

Ik kijk uit naar de nieuwe aanwijzing van het OM.

maandag 3 augustus 2015

Het persoonlijke, de politiek en het recht

Het is tweeeneenhalf jaar geleden dat ik mijn laatste stukje op dit blog schreef. Blijkbaar gaf de combinatie van actieve politiek in de Eerste Kamer, werk en privé mij voldoende gelegenheid de eieren die ik kwijt wilde op die verschillende plekken te leggen. Of namen ze zoveel tijd in beslag dat er te weinig over bleef voor een relativerend blogje.
Inmiddels ben ik twee maanden uit de Eerste Kamer, en werk ik nu vooral in mijn advocatenpraktijk. Een praktijk waarin ik me bezig houd met het familierecht en met het bijstaan van slachtoffers van zeden- en geweldsmisdrijven. Een praktijk waarin het vooral om het persoonlijke gaat. Het persoonlijke in relatie tot het recht.
Ik vind het prachtig werk, advocaat zijn. Het vraagt om juridische kennis, inzicht en strategisch denken, en je kunt echt iets betekenen voor mensen. Voor individuele mensen.
En juist in dat werken voor individuele mensen zie je ook weer hoe belangrijk politiek is, hoe bepalend wetgeving is, en hoe belangrijk de uitvoering van wat politici bedenken is. Je ziet de (vaak onbedoelde) effecten van wetgeving; je signaleert lacunes; je ziet tegen welke blokkades mensen oplopen om niet alleen recht te hebben, maar ook rechtvaardig behandeld te worden.
Je ziet de discrepantie tussen het Haagse wens- en maakbaarheidsdenken en de manier waarop mensen in de praktijk hun leven vormgeven.
Ik vind het belangrijk om de link tussen de praktijk van alle dag en de theorie van wetgeving, beleid en politiek te blijven leggen. Om te laten zien wat de effecten van wetgeving op mensen zijn, en andersom: om te signaleren welke problemen in de praktijk vragen om politieke of beleidsmatige oplossingen.
Nu ik mijn platform in de Eerste Kamer kwijt ben, moet ik weer op zoek naar andere manieren om de link tussen praktijk en politiek/beleid te leggen, en uit te dragen. En misschien is het weer met enige regelmaat bloggen er daar wel één van.
Er komen onderwerpen genoeg langs.
Het nieuwe wetsvoorstel partneralimentatie als voorbeeld van het losgezongen emancipatoire wensdenken; hoe de terechte vraagtekens rondom de 'bedenktijd' voor het doen van aangifte van verkrachting via de soacial media tot ophef werd en leidde tot politiek geroeptoeter, ik noem maar wat.
Ik neem mij dus voor weer te gaan bloggen.
Of dat op dit blog, en onder deze titel moet?
Voorlopig wel, al is het maar omdat ik geen zin heb in het gedoe van een nieuw blog met nieuwe titel, lay-out, etcetera.
En eigenlijk is het thema ook nog steeds hetzelfde: de link tussen theorie en praktijk: het persoonlijke is politiek.



woensdag 2 januari 2013

Winterwandeling

Weer een mooie plek in Nederland ontdekt waar ik nog niet eerder was geweest: 's-Heerenberg. Met een prachtig kasteel, uitzicht op Emmerich en Hoog-Elten, een oer-Hollandse molen met een wat minder Hollands klinkende naam, en Mechteld, de vrouw die de twijfelachtige eer heeft de laatst verbrande 'heks' in Nederland te zijn.





woensdag 28 november 2012

Je kunt meer



Even wat reclame voor Jekuntmeer.nl, een project van De Omslag.
Sinds kort ben ik voorzitter van de Raad van Toezicht van deze leuke en zinvolle organisatie.

zondag 25 november 2012

en nog een paar foto's uit Sierra Leone







verkiezingen in Sierra Leone

Als Eerste Kamerlid krijg je altijd de aankondigingen van de verkiezingswaarnemingsmissies die door de EU en de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) worden georganiseerd. Aan de meeste missies kunnen een of enkele parlementariers deelnemen. Het deelnemen aan een dergelijke missie is een waardevolle aanvulling op het normale werk van een (Eerste Kamerlid). Je levert een (zij het minimale) bijdrage aan de democratie in landen waar deze vaak minder vanzelfsprekend is dan bij ons. En de ervaringen die je opdoet verrijken én relativeren je kijk op (partij)politiek, verkiezingen en democratie.

Afgelopen twee weken heb ik deelgenomen aan de EU verkiezingswaarnemingsmissie in Sierra Leone, waar op 17 november jl presidents- parlements- en lokale verkiezingen plaatsvonden.
Het was een geweldige ervaring. Het land kende ik al een heel klein beetje -ik had er vorig jaar een training gegeven- het waarnemen van verkiezingen was geheel nieuw voor mij.
Na een uitgebreide brifeing / training in Freetown vertrokken we in tweetallen naar onze standplaatsen in het land. Ik met een Bulgaarse collega naar Kailahun, helemaal in het Oosten, bij de grens met Guinee en Liberia. Een reis van twee dagen; eerst nog over asfalt, vanaf halverwege de eerste dag alleen nog over zeer hobbelige en soms modderige onverharde wegen.

In Kailahun werden we bijgepraat door de Lange termijn waarnemers in het Kailahun district, en verkenden we ons gebied: drie Kissy-chiefdoms rondom Buedu en Koindu. Bezoekjes bij de politie, de chiefs. Vrijwel iedereen was blij met de waarnemers uit Europa. De grootste wens die men tegen ons uitte was dat de verkiezingen vreedzaam zouden verlopen. Regelmatig riepen mensen in het voorbijgaan naar ons 'No violence', waarbij ze hun duim opstaken.
We verbleven in eerste instantie vanuit het Luawa resort (wat in werkelijkheid een stuk minimaler is dan de website suggereert: alleen van 19-23 uur electriciteit, druppende douche met koud water, en van wifi geen sprake. Rondom verkiezingsdag zaten we in een gebouw van de douane in Buedu (met in geheel geen electriciteit en stromend water).

Maar wat een prachtig land.

Op verkiezingsdag hebben we ongeveer tien stembureaus bezocht. De eerste voor de opening; de laatste voor de sluiting en het stemmen tellen. Het is niet aan ons waarnemers om onze individuele waarnemingen wereldkundig te maken of te analyseren; laat ik het er bij houden dat het beeld zoals wij dat tegenkwamen overeenkwam met dat zoals het in de preliminary statement van de missie wordt beschreven.
Voor een indruk twee foto's: een stembureau vlak voor de opening (de meeste stembureaus waren overigens wel onder een dak)

en een rij voor een stembureau in een school

Wat nog wel leuk is om te vermelden is dat in het Kailahun district door vrouwenorganisatie een campgne was gevoerd 'stem op een vrouw'. Hiervoor was een poster gemaakt waarop alle vrouwelijke kandidaten van alle partijen waren afgebeeld, en de tekst "No ifs, no buts, vote women now"
Terug in Freetown hoorde ik dat het er naar uitziet dat de campagne waarschijnlijk effectief is geweest: in Kailahun district zou 40% vrouwen inde lokale councils zijn gekozen.

Na een debriefing in Freetown weer terug naar Nederland.
Gisteren hoorde ik dat inmiddels ook de resultaten van de verkiezingen bekend zijn gemaakt. President Koroma van de APC heeft in de eerste ronde de presidentsverkiezingen gewonnen; er is geen tweede ronde nodig.

Zoals ik zei was het een geweldige ervaring. Ik wil zeker nog eens terug naar dit prachtige Afrika, en ik wil zeker nog eens deelnemen aan een verkiezingswaarnemingsmissie.




donderdag 5 juli 2012

kneuterigheid

Soms moet mij even wat van het hart. En als alleenwerkende zelfstandige doe ik dat dan maar even zo. Ik ben bezig met een onderzoek naar schadevergoeding na seksueel geweld (zie site voor meer info) En afgezien van het feit dat je niet echt vrolijk wordt van de verschrikkelijke dingen die mensen elkaar aandoen, staan er soms ook tenenkrommende overwegingen in de uitspraken. Zoals deze in een zaak van een groepsverkrachting, waarin de daders een slaapzak en een messenset hadden meegenomen, welke het slachtoffer later via justitie terugkrijgt. De messenset beschadigd, en de slaapzak met spermavlekken. Het slachtoffer had vergoeding van nieuwe slaapzak en messenset gevorderd. De rechtbank overweegt dan: "Dat betekent dan wel dat niet de kosten van een nieuwe slaapzak en messenset als schade tengevolge van de onrechtmatige daad van gedaagden voor vergoeding in aanmerking komt, maar hoogstens de reinigingskosten van de slaapzak - gesteld noch gebleken is immers dat dit niet mogelijk was - en de verminderde waarde van de beschadigde messenset. Dat de slaapzak was besmeurd door het sperma van gedaagden en de messenset door hen was beschadigd wordt door [gedaagde 1] op zichzelf niet bestreden zodat dit vaststaat. Bij gebreke van concrete aanknopingspunten aan de hand waarvan de schade kan worden vastgesteld kan de rechtbank deze op de voet van art. 6:97 BW schatten, en wel op € 15,00,-- ter zake van reinigingskosten en € 20,00,-- in verband met de beschadiging van de messenset. Derhalve is een bedrag van € 35,00,-- toewijsbaar."
Wat een kneuterigheid. En kan zo'n rechtbank nu echt niet bedenken dat die vrouw never nooit meer iets wil aanraken wat herinnert aan die verkrachting?
Overigens werd een alleszins redelijk bedrag aan smartengeld toegekend in de zaak, maar dat maakt voor mij een dergelijke overweging over een slaapzak alleen maar onbegrjpelijker.

vrijdag 29 juni 2012

Abortus, bedenktijd en DWARS

DWARS, de jongerenbeweging van GroenLinks, heeft een amendement ingediend op het verkiezingsprogramma: DWARS wil de verplichte bedenktijd bij abortus behouden, waar GroenLinks deze al sinds jaar en dag wil afschaffen.
Met een aantal andere FemNetters heb ik hierover een opiniestuk geschreven, dat is geplaatst op Joop

De oorspronkelijke tekst moest voor Joop iets worden ingekort; voor de liefhebber de hele tekst:

DWARS bedenk je!
Over de verplichte bedenktijd bij abortus


GroenLinks heeft zich – net als andere liberale partijen – altijd verzet tegen de 'betuttelende' vijf dagen bedenktijd die in de abortuswet is opgenomen. In het concept-verkiezingsprogramma is dan ook opgenomen dat deze bedenktijd moet worden afgeschaft. DWARS, de (onafhankelijke) GroenLinkse jongeren, hebben een amendement ingediend om dit programmapunt te schrappen, en dus de bedenktijd te behouden. DWARS lijkt zich hierbij vooral te baseren op emotionele argumenten, en verhalen over vermeende misstanden.
Wij erkennen dat abortus een onderwerp is dat de emotie raakt; een onderwerp ook waar je niet lichtzinnig over moet denken. Wij zijn er echter ook van overtuigd dat er niet lichtzinnig over abortus wordt gedacht: niet door de vrouwen die ertoe besluiten; niet door de artsen die het uitvoeren, en niet door degenen die afschaffing van de verplichte bedenktijd bepleiten. Zowel om ideologische als om praktische redenen is en blijft afschaffing van de verplichte bedenktijd aangewezen.

De abortuswet is in de jaren tachtig van de vorige eeuw tot stand gekomen als het resultaat van een compromis tussen de confessionele partijen en de meer liberale partijen. Na een jarenlange strijd vanuit de vrouwenbeweging ('de vrouw beslist' en 'Baas in eigen buik') werd abortus gelegaliseerd. Om de confessionele tegemoet te komen werd een verplichting van vijf dagen bedenktijd opgenomen in de abortuswet. Dat betekent dat wanneer een vrouw een abortus wil, zij verplicht is om hier na het eerste gesprek met een arts hierover nog vijf dagen langer na te denken.

Deze bedenktijd is altijd een doorn in het oog gebleven van de vrouwenbeweging. Weliswaar mag de vrouw -na consultatie van een arts- zelf beslissen; de wet wantrouwt deze beslissing echter bij voorbaat; we geloven namelijk niet dat de vrouw als zij bij de arts komt er goed genoeg over nagedacht heeft, en sturen haar weg om er verplicht nog eens vijf dagen over na te denken. Een verplichte bedenktijd is dan ook een beperking van het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen.

Nu zou een beperking van dat zelfbeschikkingsrecht misschien nog wel te rechtvaardigen zijn wanneer de praktijk zou uitwijzen dat vrouwen in eerste instantie zeer lichtzinnig besluiten tot een abortus, maar daartoe aangezet door de verplichte bedenktijd 'tot inkeer komen'. Niets is echter minder waar.
Dat een verplichte bedenktijd bij abortus geen hout snijdt, komt onder meer naar voren uit de evaluatie van het functioneren van de Wet afbreking zwangerschap (2004/2005, door ZonMW op verzoek van het Ministerie van VWS) Uit deze evaluatie komt naar voren dat de verplichte bedenktermijn van vijf dagen vrijwel nooit invloed heeft op de beslissing van de vrouw, dat zowel de vrouwen als de artsen het als nutteloos of zelfs storend ervaren, en dat alle betrokkenen liever in overleg bepalen hoelang de bedenktermijn zal zijn. De onderzoekers bevelen aan dat in plaats van de verplichte bedenktijd in de wet wordt opgenomen: “(…) dat steeds een zodanige bedenktermijn dient te zijn als nodig is om in de gegeven omstandigheden tot een weloverwogen besluit te komen”.

Een verplichte bedenktijd is niet alleen onnodig, hij kan ook schadelijk zijn. Het is beknellend voor vrouwen en meisje die al lang na hebben gedacht, de stap hebben gezet en vervolgens weer naar huis worden gestuurd om hier nog eens vijf dagen over na te denken. Het is zelfs schrijnend, en mogelijk gevaarlijk, waar het gaat om meisjes uit traditionele kringen die hun zwangerschap thuis geheim moet houden omdat ontdekking een breuk met de familie of zelfs geweld tot gevolg kan hebben.

Het wordt tijd dat vrouwen echt baas in eigen buik mogen zijn. Vrouwen zijn heel wel in staat om in goed overleg met hun arts te komen tot een besluit om wel of niet tot abortus over te gaan. Vanuit de anti-abortus beweging (Pro-life) mogen dan verhalen worden verspreid dat artsen alleen maar “productie zouden willen draaien” en zo veel mogelijk foetussen zouden willen aborteren, de werkelijkheid is anders. Onze artsen zijn professioneel genoeg om waar dat nodig is bedenktijd te adviseren. Of dat nu 3 dagen, vijf dagen of een week is. En ze zijn ook professioneel genoeg om vrouwen voor wie hun besluit vast staat zo snel mogelijk te helpen.

Kortom: er is op basis van rationele argumenten geen enkele reden om vijf dagen bedenktijd wettelijk verplicht te stellen, terwijl er wél redenen te over zijn om vrouwen bijgestaan door een arts, zelf te laten beslissen hoe lang ze willen nadenken over een abortus. Het schrappen van de verplichte bedenktijd bij abortus is dus logisch, zeker voor een partij als GroenLinks voor wie individuele vrijheid een van de kernwaarden is.
Wij vertrouwen er op dat het congres van GroenLinks tot een zelfde conclusie komt.
En hopen dat DWARS zichzelf een bedenktijd gunt om hun standpunt nog eens te heroverwegen.

Deze column is geschreven door Margreet de Boer, in samenwerking met Marie-Christine van der Gronde (DWARS-lid en bestuurslid Feministisch Netwerk GroenLinks), Hanneke Felten (voorzitter Feministisch Netwerk GroenLinks) en Hilda Passchier (lid FemNet, oud actievoerder Dolle Mina / Wij Vrouwen Eisen)

woensdag 20 juni 2012

Brochure klachtenprocedure Vrouwenverdrag

Afgelopen maanden is Linda Sijm, een student HBO Rechten aan de Hogeschool van Amsterdam, bij mij op kantoor heel druk bezig geweest met het schrijven van haar afstudeerscriptie over het VN-Vrouwenverdrag, en het actualiseren van een gids over de klachtenprocedure bij dat verdrag. Zij is klaar. Ze heeft een mooie tekst afgeleverd voor de gids. Aan mij de laatste loodjes: de definitieve opmaak; omslag laten maken; opdracht aan de drukker. Ik hoop Linda volgende week bij haar afstuderen de drukproef te kunnen laten zien; de aflevering van de hele oplage zal een week langer op zich laten wachten.
Het boekje kan trouwens besteld worden bij PoWR.

Debat over het scheefwonen

Gisteren vond in de Eerste Kamer het debat plaats over het wetsvoorstel huurverhoging op grond van inkomen, ook wel genoemd de gluurverhoging.
Tijdens het debat is besloten de behandeling van het wetsvoorstel aan te houden, totdat duidelijk is hoe deze wet zich verhoudt tot het wetsvoorstel over scheefwonen dat op basis van het begrotingsakkoord is opgesteld en binnenkort bij de Tweede Kamer zal worden ingediend.
Wordt vervolgd dus.

Hieronder mijn spreektekst van gisteren.

Voorzitter,

Ook de GroenLinks fractie vindt dat er goede redenen zijn om het scheefwonen in sociale huurwoningen tegen te gaan, en de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. Wij moeten ons echter de vraag stellen of het wetsvoorstel wat nu voorligt het beste middel is om dat doel te bereiken. De leden van de GroenLinks fractie zijn daar allerminst van overtuigd.

Allereerst moeten we ons de vraag stellen wat het doel is van het tegengaan van het scheefwonen in sociale huurwoningen. Wat ons betreft is dat doel helder: er moeten voldoende betaalbare huurwoningen beschikbaar zijn voor diegenen die op grond van hun geringe inkomen op deze woningen zijn aangewezen.
Het doel dat de regering nastreeft met het onderhavige wetsontwerp is minder duidelijk. Weliswaar stelt de regering dat het wetsvoorstel beoogt de doorstroming te bevorderen, zodat goedkopere woningen weer beschikbaar komen voor huishoudens met een lager inkomen of een lager middeninkomen; elders lijkt het tegengaan van het scheefwonen, de bevordering van de doorstroming of juist het vragen van een marktconforme huur een doel op zich. In antwoord op schriftelijke vragen van onder meer de GroenLinks fractie lijkt de regering nogal eens verstrikt te raken in deze verschillende doelstellingen. In antwoord op de geuite twijfels over het gebrek aan voldoende aanbod waarheen scheefwoners kunnen doorstromen, geeft de regering hoog op van de mogelijkheden die de extra woningwaarderingspunten in schaarstegebieden bieden: hierdoor zullen er volgens de regering meer woningen in het geliberaliseerde segment beschikbaar komen, hetgeen scheefwoners mogelijkheden zou bieden om door te stromen. Ook de verkoop van sociale huurwoningen noemt de regering als middel om de doorstroming te bevorderen. Dat deze beide maatregelen impliceren dat woningen zullen verdwijnen uit het gereguleerde segment, en het aantal betaalbare huurwoningen dat beschikbaar komt voor mensen met lagere inkomens dus per saldo zal afnemen wordt hierbij gemakshalve vergeten.
Mijn fractie is er niet van overtuigd dat dit wetsvoorstel de maatregelen bevat die er voor gaan zorgen dat er daadwerkelijk meer betaalbare huurwoningen beschikbaar zullen komen voor de mensen die daarop zijn aangewezen.

Naast het ontbreken van een helder perspectief op positieve effecten, kleven er naar het oordeel van mijn fractie een aantal ongewenste neven-effecten aan het onderhavige wetsvoorstel. In mijn schriftelijke inbreng ben ik hier uitgebreid op in gegaan. Deze nadelige effecten betreffen onder meer de privacy-aspecten en de onomkeerbaarheid van de maatregel.
Voor wat betreft de privacy-aspecten geeft de regering in antwoord op onze vragen aan dat er geen precedentwerking is: nog nooit eerder is er een wet aangenomen waarbij is bepaald dat de belastingdienst gegevens verstrekt aan niet-overheidsinstanties. En, ik wijs er nog maar eens op: we hebben het hier niet alleen over woningcorporaties met een privacybeleid en een raad van Toezicht, maar ook over particuliere huisjesmelkers. Het lijkt alsof de regering van oordeel is dat er niet zoveel aan de hand is; wij vinden echter dat hier sprake is van het overschrijden van een grens die niet zomaar overschreden mag worden. De maatschappelijke noodzaak om een dergelijke grens te overschrijden moet wel heel hoog zijn, en er moet geen andere oplossing mogelijk zijn. Naar ons oordeel is die andere oplossing wel degelijk mogelijk, namelijk door zowel de huurtoeslag voor degenen die te weinig verdienen om de huur te kunnen betalen, als een heffing voor degenen die teveel verdienen voor de huur van hun woning in de gereguleerde sector geheel via de belastingen te laten lopen. Daarmee wordt dan eveneens tegemoet gekomen aan een ander bezwaar van het onderhavige wetsvoorstel: de onomkeerbaarheid van de extra huurverhoging.

Voorzitter, de Tweede Kamerfractie van mijn partij heeft samen met een aantal andere fracties in de Tweede Kamer, waaronder die van de minister, een begrotingsakkoord gesloten. In dat begrotingsakkoord zijn geen afspraken omtrent het huidige wetsvoorstel op papier gezet. Wel zijn er -naast afspraken over het aanpakken van de hypotheekrente-aftrek- afspraken gemaakt over het invoeren van een boven-inflatoire huurverhoging van 1% voor huurders met een huishoudinkomen tussen de €33.000 en €43.000 euro. Ook aan dat wetsvoorstel kleven naar het oordeel van mijn fractie nog een aantal bezwaren. Er zijn echter ook belangrijke verbeteringen aangebracht ten opzichte van het onderhavige wetsvoorstel; zowel op het gebied van de privacy (bezwaar en beroep bij de belastingdienst in plaats van bij de verhuurder; toezicht door het CBP), als op het toepassingsgebied (alleen voor woningen in de gereguleerde sector met een huur tot €665), als op het huishoudinkomen (een hogere vrijstellingsgrens voor het inkomen van meerderjarige kinderen). Zonder deze nadere voorwaarden, en zonder de koppeling van een gelijktijdige eerste aanpak van de hypotheekrente-aftrek, kon de GroenLinks fractie aan de overkant niet akkoord gaan met de 1%-verhoging. En ik kan u zeggen: zonder gelijkluidende voorwaarden ten aanzien van de 5%-verhoging voor inkomens boven de €43.000 kan mijn fractie hier in de Eerste Kamer niet akkoord gaan met dit wetsvoorstel.

Voorzitter,
Wij hadden verwacht dat de minister naar aanleiding van de haar bekende standpunten van de verschillende partijen over het onderhavige wetsvoorstel, en de afspraken zoals gemaakt in het begrotingsakkoord het initiatief zou hebben genomen om het onderhavige wetsvoorstel aan te passen aan de randvoorwaarden zoals geformuleerd in het begrotingsakkoord. Maar niets van dat al. In de Memorie van Antwoord wordt geen enkele handreiking gedaan. Sterker nog; afspraken die in het begrotingsakkoord zijn gemaakt worden ten aanzien van dit wetsvoorstel van de hand gewezen.
Het mag duidelijk zijn dat mijn fractie hierover zeer teleurgesteld is.
Zolang niet aan de in het begrotingsakkoord geformuleerde randvoorwaarden wordt voldaan, zal mijn fractie dan ook tegen dit wetsvoorstel stemmen.

Tot slot een enkele opmerking over het bredere perspectief. Duidelijk is dat er veel moet gebeuren om de woningmarkt weer vlot te trekken en om deze eerlijker te maken. Daarvoor zullen maatregelen genomen moeten worden zowel met betrekking tot de koopmarkt, als met betrekking tot de huursector. Het zal een integrale aanpak moeten zijn.
Kort na het sluiten van het begrotingsakkoord presenteerde de woonsector het plan wonen 4.0; een breed gedragen integrale aanpak van zowel de koop- als de huursector. Mijn fractie ziet in dit plan goede aanknopingspunten voor een toekomstig woonbeleid, en hoopt dat daar na de verkiezingen grote stappen in gezet kunnen worden.
In de tussentijd zullen we het met tussenstappen moeten doen. Wij zien de afspraken uit het begrotingsakkoord als zo'n tussenstap; en hopen snel afspraken te kunnen maken over een gedegen en integraal woonbeleid. Een woonbeleid waarin de hypotheekrenteaftrek serieus wordt aangepakt. Een woonbeleid met meer marktconforme huren, die voor de lagere inkomensgroepen worden gecompenseerd door middel van huurtoeslagen; welke hoger kunnen zijn dan nu het geval is. Een woonbeleid waarbij geen gegevens door de belastingdienst aan verhuurders hoeven te worden verstrekt.

donderdag 17 mei 2012

en nog eens de virtuele medewerker


Stel uw vraag aan onze Virtuele Medewerker
NS zegt:Welkom bij de Klantenservice van NS. Waarmee kan ik u van dienst zijn?
U zegt:wanneer kan ik de klantenservice bellen
NS zegt:Wilt u misschien contact opnemen met de klantenservice?
U zegt:ja
NS zegt:Mooi, dat is geen probleem. Het is vandaag een feestdag, de klantenservice is daarom gesloten, bekijk het overzicht van alle feestdagen hiernaast. Wel kunt u via mij een bericht achterlaten voor NS Klantenservice, wilt u dat?
U zegt:ja
NS zegt:Ok, en kunt u dan eerst in twee à drie woorden het onderwerp van uw vraag omschrijven?
U zegt:verlies van abonnement
NS zegt:Goed, dat staat genoteerd en ik zal u eerst om enkele persoonsgegevens vragen. Vervolgens kunt u uw vraag of opmerking formuleren. Wat zijn uw voorletters en achternaam?
U zegt:laat maar ik bel morgen
NS zegt:Mooi uw naam is: L. Maar Ik Bel Morgen, en bent u een man of een vrouw?
U zegt:waarom wilt u dat weten
NS zegt:Ik wil dit graag van u weten, anders kan ik geen bericht voor u doorsturen naar de klantenservice. Bent u een man of een vrouw?
U zegt:en als ik dat niet wil zeggen
NS zegt:Dat begreep ik niet. Oef. Bent u een man of een vrouw?


Weet je, ik bel morgen wel